
Het werd al weer snel bloedje bloedje, in de rijzende zon, met kwik nu dagelijks ver boven de 40. Lekker droge hitte, dat wel.
We ontbeten, zoals gebruikelijk, in de schaduw van de chopri (traditionele klei-en koeiepoep hut). Money, de hond, dartelde klierend om ons jonge bokje, argwanend gadegeslagen door moeder geit. Hiro en Jeetu waren donderjagend desert roti's aan het rollen en bakken rond een sprokkelvuurtje. Gortdroge meelkoeken met evenveel smaak als strokarton uit Groningen. Jeetu ratelt altijd onophoudelijk lachend, met nu, een beginnende baard in de keel. Onbetaalbaar geluid.
De hoeder was langsgedwaald met zijn kudde loom klingelende zwarte geiten, dus we hadden verse melk voor chai en nescafe. In ruil voor wat water en twee sinaasappels. Beedies en peuken nog ruim op voorraad.
In de dorre woestijn, op zo’n 20 kilometer van Jaisalmer, uit de richting van de Vesaki tempels, kwam een jongen aansloffen. Een achterneef van Bhura, ook een Biel. Ik weet niet hoe je’t schrijft, maar aan die kaste danken we, dat we door de woestenij kunnen dwalen zonder angst voor leeuwen en tijgers. Zij mogen dieren doden, en daar hebben ze geen gras over laten groeien; In heel Rajasthan is geen wild roofdier meer te bekennen.
Aangekomen liet hij, besmuikt giechelend zijn arm verdwijnen in de afgeragde sporttas die hij bij zich droeg, en met een plotselinge zwaai had ik ineens een halve meter hagedis in m’n nek liggen. Ik vond het helemaal niet eng, lekker puh ! Ontroerend lief was het beest, met zijn dikke, trage, koude lijf en verlegen, dociele oogjes, die ook kameleons zo kenmerken.
In antwoord op mijn spottende walging over het eten van zoiets moest ik het bijgeloof aanhoren over de heilzame werking tegen jicht, reuma en artritis en de explosieve bevordering van libido. Zucht. Hij wist wel donders goed dat het om een beschermde diersoort ging. Maar ja, India; overal een wet voor, maar niets geïmplementeerd of gehandhaafd. Een functionerende anarchie.
Ik hoefde het slachtritueel niet te zien en ben met Leloo de hitte ingesjokt, op weg naar een idyllisch meertje, 5 mijl verderop. Na een zalig middagje zwemmen en ravotten, verkoeld genietend van het plaatselijke Shiva kruid, togen we wat laat op weg terug naar huis, en werden zo, halverwege, omsloten door een pikdonkere woestijn. De maan was ook laat.
Even later verscheen een lichtje aan het einder, vergezeld van brommergeronk. We lokten het met een aansteker. Het was Bhura, op zoek naar ons. De jongens waren in rep en roer over onze late thuiskomst, bang voor geesten en voor de slangen en schorpioenen die s’avonds tevoorschijn komen op zoek naar hun avondmaal. De schatjes.
Maar goed, de maan kwam op, het eten was klaar, er waren weer roti’s met subdhi, en de lieve hagedis lag in stukjes gehakt op een aluminium schaal. Ik heb voor de vorm een klauwtje afgekloven, vol kleine botjes met hard rubberachtig vlees. Buitengewoon smerig.
Bleek licht knisterde over de vlakte het donker in. Money scharrelde naar etensresten. De geiten op stal. En de dag bedaarde langzaam met veel chai, rook, zang, gebabbel en gestoei. Another day in paradise.