
Het bezoek aan de tempel van Ananda Mayi Ma in Haridwar is verwarrend voor me. We racen er met een grote groep in taxi’s heen. Buiten haar tempel, kunnen we bloemenslingers kopen, die we onmiddellijk weer af moeten geven aan mensen die de ceremonie organiseren. Ze worden zorgvuldig op de marmeren tombe gelegd en we kunnen na afloop weer een slinger ophalen. Er wordt in India voortdurend gegeven en ontvangen, als een doorgaande stroom. De mannen worden van de vrouwen gescheiden en allen worden naar hun kant van de tempel geleid. We zitten in rijen op een witte marmeren vloer. Het vuurritueel is indrukwekkend, de man die het uitvoert is een kunstenaar; het lijkt op de dramatiek van een opera. Hij beweegt als een slangenmens en wordt als de schaal met vuur die hij draagt. Na afloop worden we naar een andere tempel gebracht en een oude heer in oranje kleren, een Franse discipel van Ananda Mayi Ma, ontvangt ons. Hij is één en al glimlach, we krijgen allemaal een sinaasappel van hem en zingen voor hem. Ik smelt in zijn aanwezigheid. Vervolgens racen we weer per taxi op zijn Indiaas terug naar Laxmanjhula met twee bloemslingers in de hand. Ik heb er één van rode rozen en één van afrikaantjes. Boven in die koude zaal van een kamer, leg ik ze naast me op het tweede bed. Het is stikdonker en ik loop naar buiten om te gaan eten. Ik heb het gevoel alsof ik niet helemaal op de grond sta, de energie van het ritueel was intens. Ook de trap is donker en In de bocht verstap ik me; ik weet onmiddellijk dat het helemaal mis is. Ik val en draai snel mijn lichaam om de klap met mijn zij op te vangen tegen de traprand van beton en om ervoor te zorgen dat ik niet over de rand heen schiet. Mijn voet schiet in een vreemde draai. Even rust ik in een soort vacuüm tussen de ene en de andere situatie en van het ene moment op het andere kan ik niet meer op mijn rechtervoet staan. Zelfs in het donker weet ik dat er snel een enorme bobbel op de voet groeit. Het is dezelfde enkel die ik de afgelopen zomer op Terre de Sacha verstuikte, maar nu is het ernstiger. Ik strompel zo snel als ik kan omhoog, zolang ik nog verdoofd ben en kan strompelen, is dat het beste. En wacht achter het gaas tot ik iemand van de sangha zie. Gelukkig gebeurt dat heel snel en ik vraag om hulp en wat eten. Vijf minuten later staat mijn jonge Hollandse buurvrouw voor de de deur, helpt me in bed, zorgt voor verband en een hoop dekens zodat ik niet teveel afkoel. Ik ben nog steeds opgewekt, midden in de shock, me niet realiserend wat dit inhoudt. Een kwartier later is er eten en nog meer zorg en proef ik voor het eerst wat het is om een spirituele familie te hebben. Een familie die veel kwaliteiten heeft, ook genezende. Vanaf dat moment zal deze zorg onderbroken doorgaan, want ik kan niet meer opstaan. Ik voel me in eerste instantie zeer gekoesterd en lig lekker in mijn bedje met een warme kruik en thee. Ik ben gevangen in mijn kamer voor twee weken. Een grote koude kamer en een balkon waar pas om twaalf uur een glimpje zon komt om me te verwarmen. Het balkon wordt omringd door tralies, tegen de apen. Soms rukken ze treiterend aan het hekwerk, met een hoop lawaai. In India is alles omgekeerd.
Mijn spirituele leraar ShantiMayi heeft me geadviseerd naar de dokter te gaan. Met iemand die zich liefdevol een dag opofferde ben ik naar het ziekenhuis in Rishikesh gereden. De dokter hield praktijk in een kleine kamer, één van de muren bestond uit een gordijn, aan de andere kant van dat gordijn zat zijn vrouw. Ook zij is arts ze werken letterlijk en figuurlijk zij aan zij. Natuurlijk vielen we erg op in de wachtkamer en vele donkere ogen richtten zich op ons. Na korte tijd werden we eruit geplukt en meegenomen naar een van de dokters die ons wat kortaf naar de overkant van het straatje stuurde waar een röntgenfoto genomen moest worden. Dat gebeurde in een grauwe, duistere ruimte, waar een groot ouderwets röntgenapparaat stond. Er was nog een andere patiënt, een oudere Indiase vrouw die alsmaar zachtjes kreunde tijdens het nemen van de foto en later bij het aankleden. Dat laatste ging zo moeizaam dat ik haar in haar trui hielp. Ze kreunde aan een stuk door en ineens kreunde ik dapper met haar mee, als om haar te ondersteunen. Ze antwoordde me met een nog erger gekreun en voor we het wisten kreunden we er samen lustig op los en begonnen toen te lachen en weer te kreunen. Ze wees met theatrale gebaren naar alles wat pijn deed. Ik bleek een kleine scheur in mijn enkelbot te hebben en moest naar de gipsafdeling van het ziekenhuis.
Dit keer moesten we naar het ziekenhuis, een onherbergzaam oord vol stof en kinderen die kleine hondjes pestten. Ik wist het op de een of andere speelse manier om te buigen tot een minder hardhandig spel en even later werden ze gelukkig afgeleid en gingen wat anders doen. Toen het ziekenhuis de deuren ontsloot, moest ik naar boven hinken, net als alle andere ‘gipspatiënten’. Na een uur was het mijn beurt; ik werd ik op een tafel gehesen en mijn been werd onthuld. Vier mannen gingen met het gipsproces aan de gang. De andere patiënten keken belangstellend naar de vertoning en wisten een zodanige neutraliteit in hun ogen te leggen, dat ik me steeds minder ongemakkelijk begon te voelen. En zo won verwondering het voor de zoveelste keer van nervositeit.
Na twee weken gedwongen retraite word ik midden in de nacht wakker en draai me nog eens lekker om, om weer in slaap te vallen. Maar iets voelt vreemd aan. Ik ga rechtop zitten en ben klaar wakker en dan weet ik het HET IS TOTAAL STIL IN MIJN HOOFD. Als er al een piep gedachtetje langskomt, houdt het geen stand. Er is sprake van stille ruimte. Buiten is het ook doodstil. Heel ver in een klein hoekje van mijn geest, dwarrelt af en toe een gedachteglimp, maar het lijkt alsof mijn denken zich totaal heeft terug getrokken in het uiterste hoekje van het universum en niet in staat is mij langer te overweldigen. In die ‘stilte’ ervaar ik een stroom van weten, het is er gewoon en heeft niets met denken te maken. Deze ervaring is letterlijk een ‘verlichting’ alsof er iets heel massiefs is weggevallen. In die stilte doen mijn gedachten en emoties er totaal niet toe. Ze zijn afwezig. Het hele verleden is weg. Ik weet dat denken eigenlijk nauwelijks nodig is om goed te leven en dat is opluchtend, zonder denken ben ik er ook. Niks geen “Ik denk dus ik besta”, eerder andersom. Even ben ik vrij achter de tralies.
Soumya Koning
